Oost-Europa lichtpunt onder de opkomende markten

China, Brazilië, Rusland, Turkije en Zuid-Afrika: Het lijkt er soms op alsof het met alle opkomende markten de verkeerde kant op gaat. Het ene land voert oorlog, het andere dreigt ten onder te gaan aan corruptie en in bijna alle opkomende landen zorgt China, met zijn knappende kredietluchtbel en teruglopende vraag naar grondstoffen, voor een domper op het sentiment.

Toch zijn niet alle opkomende markten in mineur. In de oostelijk gelegen EU-landen draait de economie nog altijd uitstekend. Gedreven door een combinatie van dalende werkloosheid, stijgende lonen, lage inflatie en hogere export groeien de Baltische staten, Polen, Slowakije, Tsjechië, Roemenië en Hongarije dit jaar allemaal met percentages van tussen de 2 en 4%.

Dit artikel heeft eerder in Het Financieele Dagblad van 2 september 2015 gestaan: krant-20150903-0-009-001

Automobielsector

‘Het ziet er inderdaad goed uit’, zegt econoom Peter de Bruin van ABN Amro. ‘Centraal- en Oost-Europa profiteert aan de ene kant van een stijgend binnenlands consumptieniveau en aan de andere kant groeit de export naar de eurozone.’ Vooral dat laatste is belangrijk, zegt ook Anke Martens van ING Bank. Oost-Europa ontpopt zich steeds meer tot een grote industriële toeleverancier van West-Europese landen. Vooral de auto-industrie is van belang. In Slowakije is bijvoorbeeld 12% van het bruto nationaal inkomen toe te schrijven aan de automobielsector. Bij de export is het aandeel van de sector 26% van het totaal. Aangezien de meeste auto’s en auto-onderdelen naar West-Europa gaan, is het logische gevolg dat als het goed gaat met de eurozone, de vooruitzichten voor Oost-Europa ook beter worden.

De sterk verslechterde verhouding met Rusland van de laatste jaren is volgens Martens redelijk goed opgevangen en heeft minder effect op de economische groei dan verwacht. ‘Veel producten die vroeger naar Rusland gingen, hebben verrassend snel andere afzetmarkten gevonden.’

China

Ook de groeivertraging in China heeft een beperkt effect. Voor landen als Brazilië, Rusland, Zuid-Afrika en Kazachstan heeft dit veel grotere gevolgen omdat deze landen veel grondstoffen hebben. Oost-Europa daarentegen is een netto-importeur van grondstoffen en kan daardoor zelfs profiteren van het wegvallen van China als grote aandrijver van grondstoffenprijzen.

Maar als ook de indirecte handel met China via andere landen wordt meegenomen, is het beeld iets complexer. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderdelen die in een Tsjechische of Hongaarse fabriek worden gemaakt voor Duitse machinebouwers die veel exporteren naar China. Verliest de Duitse machinebouwer opdrachten dan wordt de pijn een paar honderd kilometer naar het oosten ook gevoeld.

Langetermijneffecten

Volgens de Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley kan het een tijdje duren voordat dit soort langetermijneffecten zichtbaar worden, maar dat ze komen is zeker. Uit berekeningen van de bank blijken vooral Hongarije en Tsjechië hier gevoelig voor, Polen het minst.

Iets anders wat de groei dit jaar en het volgende zal remmen, is het wegvallen van EU-subsidies, zegt Mario Holzner van het Oostenrijkse instituut voor internationale economische studies WIIW. Dat heeft te maken met de overgang waarin de EU zit van de ene begroting (2007-2013) naar de andere (2014-2020).

Netto-ontvangers

Oost-Europese landen zijn in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland netto-ontvangers van EU-fondsen, en omdat het vrij gebruikelijk is dat de subsidiestroom pas aan het einde van de looptijd van een begroting op gang komt, dreigen er nu een paar mindere jaren aan te komen.

Volgens Rob Ruhl van onderzoeksinstituut Oxford Economics kan het wegvallen van EU-gelden de Oost-Europese groei dit jaar gemiddeld met 50 basispunten drukken. Volgend jaar kan de geldstroom langzaam alweer wat aanzwellen. De grote stimulans komt echter pas tussen 2018 en 2021. Hoe groot dat effect is, verschilt sterk per land.

Overheidsinvesteringen

In Hongarije, waar de overheidsinvesteringen een kwart van de totale investeringen uitmaken, zal het effect bijvoorbeeld groter zijn dan in Tsjechië waar de overheidsinvesteringen slechts 15% van de investeringen vormen. In absolute zin gaat de meeste EU-steun naar Polen, maar omdat dit land een veel grotere economie heeft dan bijvoorbeeld Hongarije of Bulgarije is het effect op het bruto nationaal product toch relatief gering.

Wat veel belangrijker is volgens alle analisten, is dat de consument steeds meer te besteden heeft. Dat valt te merken aan stijgende detailhandelsverkopen. In Tsjechië stegen de verkopen in winkels in juni bijvoorbeeld met 11.1%, het hoogste percentage sinds het uitbreken van de kredietcrisis in 2008.

Koopkracht

Volgens Holzner is het beeld vrijwel overal gelijk. Of je nou Polen neemt, de Baltische staten of Tsjechië: de koopkracht neemt toe bij een tegelijkertijd groeiend aantal banen. Daardoor levert de consument een steeds grotere bijdrage aan de economische groei, genoeg om de in sommige landen lagere overheidsbestedingen op te vangen.

Holzner denkt dat deze tendens richting hogere lonen nog wel een tijdje door kan gaan vanwege het inhaaleffect tegenover het westen. Volgens hem beginnen landen als Polen, Slowakije en Tsjechië vanwege de relatief snelle stijging van de lonen het zo langzamerhand ook wat hogerop te zoeken in de productieketen. Meer kwaliteit dus en minder kwantiteit. Daar profiteert dan weer een land als Roemenië van dat steeds meer arbeidsintensieve industrie aan zich weet te binden.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s