Help!! De prijzen dalen

Ik kon gisteren benzine tanken voor €1,42 per liter, terwijl ik een maand geleden nog meer dan €1,50 betaalde. En toen ik vanochtend een paar weekendboodschappen wilde doen bij de Aldi bleek de prijzenoorlog tussen Duitse discounters ook al in mijn voordeel te werken.

Fantastisch toch! Of toch niet? Het antwoord is helaas niet zo eenvoudig. Op zich is het natuurlijk fijn om minder uit te geven, maar als over een breed front de prijzen dalen, kan dat voor de economie negatieve gevolgen hebben.

Als het alleen om voedingsmiddelen en energie zou gaan, is dat nog niet zo erg. Stel de prijs van benzine daalt met 20%, dan betekent dat voor de meeste mensen nog niet dat ze opeens veel meer gaan rijden. In de economie spreekt men van goederen met een lage prijselasticiteit: De vraag naar deze producten reageert slechts in beperkte mate op prijsveranderingen.

Prijselasticiteit

Er zijn echter ook producten waar dat anders ligt. Neem auto’s, huizen, horloges, dure tasjes, flatscreen-tv’s, schoenen, elektrische fietsen of een abonnement bij de golfclub. Daar kan deflatie (lagere prijzen) wel degelijk een groot effect hebben. Stel je weet dat het huis waar je al een tijd een oogje op hebt over een jaar 5% minder waard zal zijn dan nu. Wat doe je dan? Wachten natuurlijk! Waarom tienduizenden euro’s over de balk gooien (het wordt overigens ingewikkelder als je al een huis hebt dat je wilt verkopen, maar dat laat ik even buiten beschouwing).

Als dit besef leeft bij heel veel bedrijven en consumenten over meerdere producten dan heb je de poppen aan het dansen. Autodealers gaan failliet, projectontwikkelaars blijven met hun huizen zitten, bedrijven die rashonden fokken, raken ze aan de straatstenen niet kwijt. En mensen verliezen hun baan.

Het meest schrikbarende voorbeeld van deflatie was de afgelopen decennia Japan. Na jaren van overbesteding (wat zich uitte in bijvoorbeeld extreem hoge huizenprijzen) kwamen de Japanners eind jaren negentig in een tegengestelde situatie. Het is niet dat de mensen vanaf dat moment opeens helemaal niets meer kochten, maar ze zijn wel minder gaan uitgeven dan het geval was geweest in een licht inflatoire omgeving. Wat ze sindsdien hebben gedaan is vooral veel sparen, en dat geldt ook voor Japanse bedrijven die investeringsbesluiten voor zich hebben uitgeschoven. Al met al ongunstig voor de economie.

De landen van de eurozone willen niet in eenzelfde deflatoire spiraal naar beneden terechtkomen. Het probleem is alleen dat de waakhond over de prijzen, de Europese Centrale Bank, niet zo heel veel instrumenten ter beschikking staan. Normaal zou de ECB de rente verlagen om de inflatie een duwtje in de rug te geven, maar die staat al bijna op nul. Er wordt wel gedacht over een verlaging tot onder nul, maar eigenlijk wil geen enkele centraalbankier dat. Het gaat namelijk wel heel ver om banken ervoor te betalen als ze geld van de ECB lenen.

Een andere optie, die deze week veel is besproken, is als de ECB actief geld in de economie pompt door aandelen of obligaties te kopen. Ook daar houden centraalbankiers niet van, maar in de Verenigde Staten en Japan is het wel op massieve schaal gebeurd. De inmiddels teruggetreden Fed-president Ben Bernanke hield er zelfs de bijnaam ‘helikopter-Ben’ aan over, omdat hij van bovenaf letterlijk strooide met gratis geld.

Inflatie in Duitsland met 1% niet zorgwekkend

De vraag is of we in Europa ook over moeten gaan tot deze zeer agressieve vorm van deflatiebestrijding. Daar zijn de meningen over verdeeld. De Duitse Bundesbank-president Jens Weidmann is bijvoorbeeld tegen. En hetzelfde geldt voor meer Noord-Europese landen. Zij hebben namelijk niet zo heel veel last van deflatie. In Duitsland wordt de benzine weliswaar goedkoper, maar dat geldt niet voor bijvoorbeeld huizen of auto’s. De inflatie is daardoor met 1% weliswaar op het laagste niveau belandt sinds 2010 (vandaag bekendgemaakt door het Duitse bureau voor de statistiek), maar heel zorgwekkend is het niet.

In Spanje is dat anders, daar dalen de prijzen met 0,2%

In Zuid-Europa hebben ze veel meer last van deflatie. Vandaag werd bekendgemaakt dat bijvoorbeeld in Spanje in maart de consumentenprijzen zijn gedaald met 0,2%  tegenover een jaar eerder. En wat het voor deze landen nog riskanter maakt, is de stijgende euro-dollarkoers.

Ook dat heeft weer een dubbel effect. gunstig is dat we bijvoorbeeld goedkoper een weekendje naar New York kunnen, of als je een i-Pod wil kopen in Hongkong, kost dat in euro’s minder geld.

Hoge euro-wisselkoers zet prijzen extra onder druk

Daar staat tegenover dat het voor Europese bedrijven moeilijker wordt spullen te verkopen in het buitenland en wat voor de prijspeil vooral belangrijk is, is dat een hoger koers van de euro betekent dat de prijs van importgoederen daalt en daarmee het algemene prijspeil.

De ECB moet al deze factoren in de gaten houden – de wisselkoers, regionale prijsverschillen, welke goederen worden goedkoper, etc. etc. – en dan een beslissing nemen. Volgende week donderdag is een van die beslismomenten.

Over het algemeen komen die beslissingen niet uit de lucht vallen. Ze worden zoals ze het in het wielrennen noemen getelefoneerd aan de markt. In de weken voorafgaand aan een rentebesluit worden kleine hints gegeven die de markt voorbereiden op wat komen gaat. De afgelopen week zijn er ook een aantal van die stille hints gegeven. Zelfs Bundesbank-president Jens Weidmann gaf aan ‘hypothetisch’ bereid te zijn over drastische maatregelen na te denken. Of hij ermee instemt, is nog een tweede.

Zijn argumenten voor het doen van helemaal niets, zijn namelijk niet zo gek. Ten eerste zegt hij dat het vooral voedingsmiddelen en energie zijn die in Europa de prijzen onder druk zetten. Dat zijn prijzen waar de ECB (door de lage elasticiteit) weinig invloed op heeft. Ze drukken bovendien de bestedingen niet en ze fluctueren hevig. Het kan bijvoorbeeld heel goed zijn dat benzine over een paar maanden alweer veel duurder is.

Ten tweede wijst hij op het economisch herstel in de eurozone en het groeiende vertrouwen onder consumenten. In Zuid-Europa mag dat herstel nog broos zijn, maar het is er wel. Weidmann maar ook bijvoorbeeld ECB-president Mario Draghi en de Nederlandse centralebankpresident Klaas Knot lijken op het standpunt te staan dat het economisch herstel in combinatie met het groeiende consumentenvertrouwen de inflatie langzaam maar zeker op zal drijven. Of de ECB-raadsleden (uit alle 18 eurolanden) als groep ook tot deze conclusie komen, weten we volgende week donderdag.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s